Griep
Zo! Zaterdagnacht werd ik wakker omdat ik moest kotsen. Indrukwekkend hoor, in strakke, divergerende bundels. Er zat druk achter. Ik kon op drie meter een plee raken. Het was dus niet raar dat ik badend in het zweet wakker werd. Waarschijnlijk moest ik al een paar uur eerder kotsen, maarja ik lag te slapen. En ik had nog wel de hele avond ervoor naar voetbalsamenvattingen zitten kijken, ik was helemaal into-de-zondag. Ik had er zin in. Lekker voetballen. Niet dus, want vlak voor en nog heel lang na het kotsen schoot de kramp door m'n buik. Zijn er nog meer mensen die meteen denken dat ze kanker hebben als er ook maar iets van ziekte voorbij drijft? Ik ben nooit ziek, dus als ik ziek ben dan denk ik in terminale scenario's. Darmkanker of anders op z'n minst één of andere chronische darmaandoening die me voor de rest van mijn leven tot cruesli en winderigheid zal veroordelen.
Voetballen was niet waar ik zin had toen ik wakker werd zondagmorgen. En ik werd heel wat wakker hoor die morgen. Vanaf een uur of vijf ongeveer om de vijf minuten. Elke keer levensecht en net zo ellendig als de keer daarvoor. Ik werd wakker van het kots dat ik niet meer had, kwam tot de ontdekking dat ik weer maar vijf minuten geslapen had, bedacht dat je darmkanker niet ineens midden in de nacht krijgt en dat ik om 12 uur op de voetbalclub werd verwacht. In een kantine. Een meedogenloze kantine. 'Zo! Wat heb jij gedronken?' 'Wil je koffie?' 'Of een hamburger?' 'Ruik maar ff aan die asbak!' en ga zo maar door. Een voetbalkantine is geen plek voor mededogen. Jammer genoeg is een voetbalkantine ook geen plek om niet op te komen dagen als je je een beetje ziek voelt. Ik was er. Ik zou in de warming-up wel kijken hoe het zou gaan. Anders ging er een andere keeper op doel, alhoewel dat gezien zijn kwaliteiten een heul slecht plan was geweest. Waarschijnlijk had de trainer wel in de gaten dat ik me door die jodocus niet zou laten passeren. Ik speelde.
Als je denkt dat Alkmaar ver in de provincie ligt, dan staat je nog heel wat te wachten. Neem bijvoorbeeld Wognum. Goed, er ligt een snelweg in de buurt, maar dat maakt de wind en de regen weinig uit. Die gaan daar tekeer met de ouderwetse vreugde van ononderbroken waaien en spetteren over kale, kleipolders zonder dat ze een strobreed in de weg worden gelegd. Behalve dan twee doelen, 1 scheidsrechter en 22 spelers. Het voordeel was wel dat ik vanaf de eerste minuut door de kou niets meer voelde. Van mijn hele lichaam niet. Nee, dat is niet waar. Van de voorkant niet. De kant waar de wind en regen vol op stonden te beuken. Het moet er armetierig hebben uitgezien. Het beetje coaching dat ik m'n keel uitkreeg waaide rechtstreeks terug naar Alkmaar. Zonder dat iemand er iets van verstond.
Na de wedstrijd ging het een stuk beter. Kan ook zijn dat er weer bloed aan de oppervlakte durfde te komen. Ik voelde weer iets. Alhoewel de voorzitter nog bezorgd vroeg of het wel met me ging, aangezien ik nog steeds witter dan m'n tanden was. De wedstrijdsecretaris en de huismeester konden het niet eens worden over de helft waarin ik een bal voor iemand zijn voeten wegpakte net voordat die gozer op me zou gaan onthoofden met zijn net uit de klei getrokken horrelvoet. Over de minuut was wel zekerheid. Want het was de 35ste minuut, maar of het nu de eerste of de tweede helft was? Ik moest ze het antwoord schuldig blijven. Het hele voorval deed bij mij sowieso geen bel rinkelen. Kennelijk heb ik een instinct, want er is me van die wedstrijd erg weinig bijgebleven.
Vanochtend las ik in de krant dat we gewonnen hebben.
Dat is tenminste iets.